INTERESSANT!


18.Feb.2018 18:22

WOORDEN SCHIETEN TEKORT

oktober 28th, 2014
CLX-3180_20141026_11163205 CLX-3180_20141026_11175301
woordenschietentekort wim

Toen ik na een jaar bij een zogenaamde hospita, Tante Beppie, een verre nicht van mijn moeder,  op een kamertje van 2,5 x 2 had gewoond in een statig pand aan de Groesbeekseweg 117 te Nijmegen, kon ik door schier toeval een nog kleiner hokje krijgen in het legendarische studentenpand ’t Gulden Vlies, gelegen aan Van Slichtenhorststraat 101 hoek Deliplein. Het was piepklein, maar alles beter dan bekeken worden door je familie, een ‘vrij huis’ was toch wel het summum.
Het is nog steeds een notoire viezigheid en behaalde recentelijk nog een award van de regionale zender Gelderland voor het smerigste studentenpand van Nijmegen.
Dat kamertje hield ik een tijdlang aan voor gasten en logees, waaronder Herman Brood. Soms vergezeld van dames, w.o. de mythische Dorien (‘Doreen’), verantwoordelijk voor Herman zijn artwork indertijd. Bart Chabot woonde bij haar ouders op kamers.
Herman kwam met een zekere onregelmatigheid langs sinds ik concerten met hem en zijn Wild Romance organiseerde in respectievelijk NSV Diogenes, en na zijn snelle opkomst (als enige Nederlandse superstar) uiteindelijk ook in Concertgebouw De Vereeniging.
Op de meest onverwachte momenten kwam Herman aanbellen, always late. Met vrieskou in een colbertje, in de zomer rustig met een zware leren jas, die hij enige dagen later ook weer had weggegeven. Altijd met een plastic tasje met likeur, borreltjes, spuitjes, watjes, een fijn stuk elastiek op maat, viltstiften en als het even zo uitgekomen was een nieuw tekenblok, krantje en nog meer papier. Cocktailtjes, plaatjes draaien (de ene na de andere plaat werd uit de kast getrokken, dit nummer dat nummer draaien), beetje slapouwehoeren en veel tekenen dus. “Venemaatje, Wimpie, heb je geen Oost-Indische inkt en zo’n kroontjespennetje?”. En dan heeeeel laat: “Pappie gaat nu even slapen”.
Meestal vertrok ie met de eerste trein, heel vroeg dus en vooral ongezien.
Weg was Brood.
Menig onwetend huisgenoot verbaasde zich the morning after wie nou die gek was geweest, die telkens de lepels van het bestek had krom gebogen. 

De Nijmeegse Studenten Vereniging Diogenes had sinds jaren een programmablaadje dat elke maand aan de leden werd verstuurd.
Een aantal ex-bestuursleden had het plan opgevat om het programmablaadje te transformeren in een heus nationaal tijdschrift.
Na een aantal nummers onder de vlag van Diogenes te hebben uitgebracht, ging Het Prachtige Blad Glamoer (“voor Nederland, België en de Benelux”, zoals het in de officiële statuten van de uitgever bij de notaris was gedeponeerd, eigen hilariteit en ergernis van de dienstdoende notaris: “Heren, Nederland en België behoren toch tot de Benelux?”) zelfstandig verder, met DRUKWERK in Amsterdam als heusche distributeur.
Door mijn concertconnectie met Herman Brood was ik er achter gekomen dat Herman eigenlijk maar een beperkt aantal dingen deed: muzikant uithangen, veel drinken en speed spuiten, zoveel mogelijk dames neuken, en uit verveling tijdens of tussen die activiteiten door tekenen.
Bij het plannen van de concerten was Herman niet thuis. Vergaderen was sowieso niet aan hem besteed, en afspreken kon eigenlijk alleen maar in een café indien strikt noodzakelijk. Telefonisch gesprekken voeren was ook niet aan hem besteed, behalve om te vertellen in welk café, bar of hotel hij te vinden was.
Bij uitzondering kondigde hij wel eens per telefoon aan dat ie met de trein er snel zou zijn..
De meeste meetings waren tweeledig: geld en een borrel, of omgekeerd. Tijdens die gesprekjes werd eigenlijk –in mijn beleving- altijd getekend, met viltstift, pen, potlood of ballpoint. Papier kwam van de bar (bierviltjes, rekeningpapier of briefpapier uit hotel). Ook briefpapier of studiosheets van opname studio’s waren handig.
Het merendeel van de tekeningetjes waren indertijd proefjes of kladjes (en nog geen betaalmiddel), die na het gesprek nog een kleine evaluatie of toelichting ondergingen. Brood nam ongeacht welk bedrag (liefst papiergeld) de centen in ontvangst en maakte van de kladjes een prop papier of verscheurde ze, en vertrok snel. Het glas vaak niet eens geleegd te hebben. Zoals andere zenuwlijders sigaretten roken bij een dergelijke ontmoeting of kauwgum kauwen, zo zat Brood te tekenen, het leek een beetje om zich een houding te geven, met af en toe het hoofd wat omhoog om je aan te kijken en in te schatten hoever het gesprek gevorderd was, of om als bijdrage aan het gesprek een cynische sneer of grap te maken. Derden bij een dergelijk gesprek werden eigenlijk altijd in de maling genomen om te bezien of ‘hemmes’ of ‘haar’ het gesprek of de humor wel konden volgen (“hij/zij kan niet meekomen”, was standaard om aan te duiden dat Herman de persoon niet zag zitten).

Ik wist dat Herman naar de kunstacademie in Arnhem was geweest, maar wat daar nou precies –op verkeringen, dope en bandjes na dan- van terechtgekomen was, was mij niet duidelijk. Maar dat ie grappig en snel kon tekenen, dat was mij na een paar meetings wel duidelijk.
Ik vond zelfs dit aspect van zijn kunstenaarschap interessanter dan de muziek. Dat is jaren later ook wel gebleken. Beide disciplines gingen hem even makkelijk af, maar de tekeningen (van schilderijen maken was toen nauwelijks sprake) vond ik interessanter, en meer blijken van een intellectuele maatschappijkritische instelling, dan de zoveelste hedonistische muzikale flirt met amfetamine, cocaïne of heroïne, waar Herman publiekelijk graag in grossierde. Dat in alle tekeningen de karakter van opper-dopie William Burroughs model stond voor Otto en nog een aantal creaties, vond ik daarbij totaal niet hinderlijk.

Op een dag opperde ik Herman of ie ’t een idee vond om zijn tekeningen in boekvorm uit te brengen. Zijnde een ijdeltuit met een permanente dadendrang en een grote behoefte aan aandacht leidde onmiddellijk tot een volmondig ja van Herman. Ter plekke vertaalde hij een eerdere serie volgplaatjes: maakte met typex de Nederlandse tekst wit, en plakte er zelf geknipte plastic plaatjes met een met vette viltstift geschreven Duitse tekst over heen. Een tekst die net zo ongelofelijk was als zijn tekst bij het briljante rijmnummer “Berlin schmerzst”, waar, als ik aan onze gezamenlijke avonturen in Berlijn denk, elke keer als ik ’t hoor, bijna een traantje moet weg plengen.
De stichting achter het blad Glamoer, de Stichting Verwarring (aanvankelijk zelfs In Oprichting BV, maar dat mocht niet van de notaris) dus, omarmde het project collectief en zo volgde de publicatie “Bisz”, met de oorspronkelijke werktitel “Vaste Prik”, maar die titel werd gaandeweg het proces geschrapt.
Hoofdredacteur Mat Heffels schatte het project meteen in als een cashcow, maar dat laatste nam nog niet zo’n vaart ondanks het feit dat er zelfs een tweede druk werd gerealiseerd. Weinig verzamelaars die dat weten: de eerste druk heeft een zwart/wit foto op de backcover; de 2e druk een kleurenprint van Sphritz. Stichting Studenten Pers Nijmegen bleef uiteindelijk met een klein deficit zitten. Maar gelukkig vond directeur Johan Holterman het prima, want hij vond het fantastisch om af en toe iets rebels te drukken naast al die saaie Marxistische standaardwerken, emancipatoire vrouwenschotschriften etc.
Mijn privé-archief Brood en de uit de prullenbak geviste misbaksels en een stapel “hou die maar, mien jong” tekeningen kwamen daarbij allemaal goed van pas. Niet alles is publiekelijk toegankelijk gemaakt. Dat geldt ook –voor zover mij bekend- ook voor de ongetitelde serie die hierbij is weergegeven.
De serie is o.a. in dat kamertje en in mijn studentenkamer getekend rond kerstmis 1978 schat ik, maar ik weet t niet zeker.

CLX-3180_20141026_11083901
CLX-3180_20141026_11093307
CLX-3180_20141026_11102504
CLX-3180_20141026_11110100
CLX-3180_20141026_11113609
CLX-3180_20141026_11120804
CLX-3180_20141026_11124108
CLX-3180_20141026_11131308
CLX-3180_20141026_11134902
CLX-3180_20141026_11142204
CLX-3180_20141026_11145705