INTERESSANT!


21.Nov.2018 13:02

“LIEVER EEN BAND DAN EEN VENT”

april 11th, 2008

gramMarg van Eenbergen/ GRAM
Gesproken column ter gelegenheid van ’50 jaar popmuziek in Nederland’ – congres NPI 26 maart 2008

Van popmuzikanten wordt wel eens gezegd dat ze nooit volwassen willen worden. Kijk toch maar eens naar die jazz-muziakenten, die zulke ingewikkelde, moeilijke akkoorden op elkaar afvuren, in hogere sferen van sigaarrokende mannen en hese whiskey-drinkende vrouwen. Of kijk eens naar de klassieke musici: daar worden 8-jarige wonderkinderen door diverse conservatoria zo snel mogelijk klaargestoomd om zich maar vooral HEEL ERG volwassen te gedragen. Jasje, dasje, viooltje.. zo’n kind moet er zo jong mogelijk al oud uitzien. Maar dan de popmuzikant? Dat type mag van ons tot in de eeuwigheid in Volkswagenbusjes door Europa blijven crossen, bier drinkend, vreemd gaand, dansen tot diep in de nacht. Zit je in een band, blijf je eeuwig adolescent, is blijkbaar het credo.

Ik heb ook een beetje zo’n tik, hoor. Ik heb me inmiddels mijn hele leventje lang achter een ontzettend puberale levensleus verschuild, namelijk: “liever een band dan een vent”. Zolang je in een band zit, hoef je niet te denken aan trouwen, kinderen krijgen, een baan zoeken, verantwoordelijkheid nemen. De band, de muziek-muze, gaat altijd voor. Je stopt dus al je tijd, geld, moeite, bloed, zweet en liefdestranen in de muziek. Want ambitieus ben je wel: liever rijk en bekend, dan alleen maar als hobby zo’n band.

En dan komen er andere dingen bij kijken. Alleen liefde voor de muziek is niet genoeg, dan kom je er niet. Je komt met een schok tot de ontdekking; met alleen die band heb je aan het eind van de avond heb je nog geen rooie cent. Rond 1975 bestond de popmuziek al zeker 20 jaar en was het tijd om een organisatie in het leven te roepen, de Stichting Popmuziek Nederland, die als een volwassene al die wild om zich heen experimenterende bandjes een helpende hand kon toesteken.

Althans, zo heb ik het altijd begrepen. En toen ik mijn eerste stappen in de popmuziek wilde zetten en vier mensen, vijf trommels en 3 sets snaren van verschillende dikte bij elkaar had onder de naam Seedling, hoorde ik in de Paradiso- en Melkweg-wandelgangen van een organisatie die me wel eens verder kon helpen met mijn droom. Ze zaten in een pandje, ver weg achter de Wibautstraat. Wil je een band, dan zul je fietsen, dat hele klere-end. En dat deed ik. En ik nam er gratis een krantje mee, waarin allemaal over Nederlandse bandjes geschreven werd. En ik kocht er een aantal boekjes, folders over hoe je bijvoorbeeld zelf een plaat uit kon brengen, of over hoe je je promotie aan moest pakken.

De folders hadden een zilveren of koperkleurige papieren omslag, en de eerste regel van 1 van die boekjes was “Popmuziek Is Oorlog”. Een mantra dat me jaren later nog wel eens badend van het zweet wakker doet schrikken als ik spreekwoordelijk zwaar getafeld heb. De impact van die folders was niet gering: als band spelde we de inhoud ervan als ware het vreemde, fantastische reisgidsen: de weg van een band is- inherent aan het popwereldje- altijd onbekend.

Maar als een wakende ouder bleek steeds vaker de Stichting Popmuziek Nederland, later het NPI, op de achtergrond die beginnende bands en acts en artiesten een hand boven het hoofd te houden. Je had het als band-met-groeistuipen wellicht in eerste instantie niet zo door, maar die mooie voorprogramma’s of die avonden met andere bands, geprogrammeerd van Groningen tot Maastricht ,waren stiekem wel mogelijk gemaakt door een uitgekiend Podiumplan. Alsof het NPI zei: als je dan eenmaal auto wilt rijden, dan zullen wij er voor zorgen dat je dat in ieder geval in een fatsoenlijke wagen doet. Heb jij ambities met je band, zorgt het NPI mede voor een fatsoenlijke gage in die tent.

Inmiddels was het NPI geen onzichtbare zachte hand meer voor mij en mijn band. We wilden de Nederlandse grenzen over, en daarbij bleek het mogelijk om toursubsidie te krijgen. Je moest zorgen dat je aan een aantal voorwaarden voldeed, want die folders annex reisgidsjes waren ook wel leuk voor de muzikale hobbyist, maar het NPI is alsjeblieft geen gratis touroperator. Vooral de laatste jaren is het beleid daarin steeds strenger geworden en dit mag toegejuicht worden. Alleen wie zijn ambities al eerder in het buitenland had verkend, kreeg terecht een vergoeding toegekend. Seedling kon mede door het NPI onder andere verschillende keren naar Engeland. Na Seedling ging ik met About spelen, die zelf al een Europese boeker had, maar dankzij het NPI hebben we al twee keer uitgebreid door de VS kunnen touren. Nu ben ik solo gegaan onder de naam GRAM, en ik weet maar al te goed dat zo’n brok geld en know-how van doorslaggevende betekenis kan zijn voor een band of artiest uit Nederland.

Het NPI gaat nu op in een grotere organisatie; zij is geen adolescent, maar moet het subsidiespel meespelen volgens de regels van de volwassenen. Hopelijk heeft zij door haar onafhankelijkheid tijdens haar opgroeiperiode een echte, eigen smoel gekregen. Hopelijk is zij volgroeid met een eigen persoonlijkheid, die zich staande kan blijven houden binnen een grotere, abstractere organisatie. Moge haar acties zichtbaar en/o f hoorbaar blijven voor de Nederlandse popmuzikant. Laat alsjeblieft haar nut voelbaar blijven, zodat alle aspirantmuzikanten hun eigen popmuziekoorlog kunnen winnen met het voorheen-NPI aan hun zijde.

Ik ben inmiddels een stuk volwassner zelf, en van dat “Liever een band dan een vent” ben ik inmidels wel af. Het is niet meer “Lang leve de liefde voor de muziek”, maar “Lang leve de liefde, EN lang leve de muziek”.

Ik wens het NPI veel succes als deel van het Muziek Centrum Nederland. Sterkte ook, want alles went, behalve het establishment. En popmuziek BLIJFTt, het is meer dan een trend.